Voordeel alle aard gemeubelde woning: wat valt daaronder?
Indien een vennootschap een gemeubelde woning gratis ter beschikking stelt aan haar bedrijfsleider, wordt die daarop privé belast via een zgn. voordeel alle aard.
-
Voorafbetaling (VA3)
-
Koopt u een nieuwe auto beter nog in 2026 dan in 2027?
Stel u wil een nieuwe auto aankopen of leasen voor uw onderneming (eenmanszaak of vennootschap). Kan u dit dan beter nog in 2026 doen of kan u fiscaal gezien evengoed wachten tot in 2027?
-
Wanneer heeft uw vennootschap recht op investeringsaftrek voor boekjaar 2026?
Doet uw kleine vennootschap een nieuwe investering, dan kan zij daarvoor onder bepaalde voorwaarden genieten van de investeringsaftrek. Wanneer moet die investering precies gebeuren om nog recht te hebben op de investeringsaftrek voor boekjaar 2026?
Dat voordeel wordt forfaitair berekend volgens een bepaalde formule, nl. geïndexeerde ki × 100/60 × 2 x 5/3 (art. 18, §3, 2, vierde lid KB/WIB92).
In een zaak die voor het Hof van Beroep te Antwerpen kwam had een vennootschap een aantal private uitgaven ten laste genomen zoals een inbouwvaatwasser, tafel en stoelen, outdoor stoelen, ergonomische stoel, etc. Volgens de fiscus hadden die uitgaven geen beroepsmatig karakter en werden ze in hoofde van de bedrijfsleider belast als een voordeel alle aard voor hun werkelijke waarde.
De belastingplichtige in kwestie was echter van oordeel dat die zaken deel uitmaakten van het voordeel alle aard ‘kosteloze ter beschikkingstelling gemeubelde woning’ en de bedrijfsleider er dus niet nog eens op kon belast worden via een afzonderlijk belastbaar voordeel.
Het Hof geeft de belastingplichtige slechts deels gelijk. De inbouwvaatwasser en de tafels en stoelen worden geacht inbegrepen te zijn in de belastbaar voordeel ‘kosteloze ter beschikking gemeubelde woning’ omdat die essentieel voor het comfort van de betrokken woning. De outdoorstoelen en de ergonomische stoel vallen daar echter niet onder, aldus de beroepsrechter. Die dienen belast te worden bij de bedrijfsleider op basis van de werkelijke waarde. Volgens de rechter in casu dient daarbij uitgegaan te worden van de aankoopprijs (Antwerpen 16.01.2024).